top of page
  • Foto van schrijverjvwing

Bijltjesdag

In het Zuid-Tiroolse stadje Trento houdt men vast aan aloude tradities. Op de laatste zondag van juni wordt ieder jaar opnieuw de ‘slechtste politicus van de stad’ in een metalen kooi gestopt. Vervolgens wordt de kooi met een takel in de rivier neergelaten. Het gebruik stamt uit de tijd dat de stadsbewoners eigenhandig afrekenden met slecht bestuur. Wat ooit een doodstraf was, is vandaag slechts een symbolische en theatrale schijnexecutie waarmee dorpspolitici te kijk worden gezet.

Heeft men in 1860 de Zenne - die door Brussel stroomde, overdekt zodat gekooide politici er niet in kunnen worden neergelaten? Of was het de stank van de open riool die heeft geleid tot het overkappen van de Zenne?


Hoe rekenen wij vandaag af met slecht bestuur? En bestaan er objectieve standaarden waaraan de kwaliteit van het bestuur kan worden getoetst? Het antwoord is ‘neen'. Neen, onze politiek bestel kent in het geheel geen evaluatiecultuur. De werkelijke maatschappelijke bijdrage of rendement van ons belastinggeld wordt niet geëvalueerd of in vraag gesteld. Er zijn geen tussentijdse controles of mechanismen die naam waardig.


In Nederland en ook in andere landen staat men iets verder. Niet veel verder, maar daar doet men toch aan voorzichtige zelfreflectie en interne audits. In Nederland gebeurt dat sinds 1999 op ‘verantwoordingsdag’. In Den Haag noemt men het ‘gehaktdag’. De laatste editie van die jaarlijkse formaliteit vond enkele dagen geleden plaats, op 17 mei jl. Spoiler alert… ook dit jaar werd geen enkele politicus of politica in de Maas gekieperd. Dat niet, maar ieder ministerie moet wel haar eigen jaarverslag presenteren aan de tweede kamer. Tegelijk publiceert de Algemene Rekenkamer haar verslag van de controles op die jaarverslagen.


Het opzet is lovenswaardig omdat de centrale vraag is en blijft,

“welke tastbare maatschappelijke resultaten werden geboekt met die miljarden aan koopkracht en belastinggeld?”

Ivan Van De Cloot van denktank Itinera is ook een man van tradities en symboliek. Hij organiseerde daarom op 16 mei weer een Vlaams-Belgisch equivalent van deze ‘verantwoordingsdag’. Een bescheiden maar lovenswaardige poging om de discussie op gang te brengen.

Van De Cloot stipt een essentieel onderscheid aan.


Meer dan een begrotingscontrole, die nagaat of de inkomsten in verhouding blijven tot de uitgaven, moet ook worden nagegaan hoe doeltreffend dat belastinggeld werd besteed. Het gaat om de maatschappelijke impact van het beleid.

Hij stelt vast dat dat laatste in ons land ontbreekt. “In Nederlands maakt men de omslag van een middelen-begroting naar een beleids-begroting.”


In ons land staan we pas aan het begin van een evaluatiecultuur die de doeltreffendheid van belastinggelden doorlicht. Wij hebben misschien geen evaluatiecultuur maar wel een wereldvermaarde belastingscultuur. Ons staatsapparaat is gigantisch. Inmiddels is ook zowat ieder maatschappelijk probleem in dit land per definitie een zoveelste kerntaak voor de overheid die daarmee almaar meer beslag legt op onze koopkracht. Waar en hoe is die belastingcultuur, dat taxatiemechanisme ontstaan? Daarvoor moeten we terug keren naar het jaar 1648 of de Vrede van Westfalen. Dat is het jaar waarin de monarchen hun soevereiniteit finaal afstonden aan private financiers en bankiers. Met de vrede van Westfalen werd het slaan, het ‘munten’ van geld - en daarmee de soevereiniteit, onttrokken aan de koningshuizen. De 30-jarige oorlog had de schatkisten van alle koningshuizen niet alleen geledigd, erger nog, koningshuizen waren monsterlijke schulden aangegaan om de oorlog al die tijd verder te zetten.



Ondertekening van het vredesakkoord, 1648, Münster. Gerard Van der Borch.


De Verdragen van Münster en Osnabrück hebben de rol en de soevereiniteit van de vorst drastisch en definitief gewijzigd. Het was voortaan niet langer de koning die de eigen munt sloeg, dekte en uitgaf, maar wel de bankiers die de schulden van de koning opkochten. Deze ‘staatsschulden’ werden gedekt door een nieuw concept, nl het mandaat van de staat om de burger te taxeren ter financiering van de staatsschuld. Ook ‘de staat’ is een concept of constructie die pas ontstond na het beëindigen van de dertigjarige oorlog. Wat wij vandaag ‘de staat’ noemen, was in 1648 ‘l’état des dettes’, ofwel de ‘staat van de schuld’. Er werd voor het eerst een schuldvehicle in het leven geroepen waarmee belastinggeld het onderpand werd voor de schulden die de staat aanging.


De catastrofale financiële situatie waarin de strijdende partijen zich na 30 jaar van oorlogvoering bevonden, vinden we letterlijk terug in de verdragen of vrede van Westfalen. In artikel 2 van het verdrag lezen we hoe ‘een great reset’ voor een nieuw evenwicht en machtsbalans moest zorgen,


“Er zal aan beide zijden een eeuwigdurende vergetelheid, amnestie of vergiffenis zijn voor alles wat sinds het begin van deze onlusten is begaan, op welke plaats of wijze de vijandelijkheden ook zijn gevoerd, zodat geen enkele actor, onder welk voorwendsel dan ook, enige vijandige daad zal stellen, enige vijandschap zal onderhouden of enige onrust zal veroorzaken; (...) alles wat aan beide zijden heeft plaatsgevonden, zowel voor als tijdens de oorlog, in schandelijke woorden, geschriften en handelingen, in geweld, vijandelijkheden, schade en kosten, zonder enig respect voor personen of dingen, zal volledig worden afgeschaft, zodat alles wat in dit opzicht door beide zijden kan worden geëist of geëist, in eeuwige vergetelheid zal worden begraven.”

Decennialang hebben de strijdende partijen in de Dertigjarige Oorlog elkaar onnoemelijk veel schade berokkend, voornamelijk om hun schulden af te lossen met de buit van hun plunderingen en veroveringen, om een kleine financiële oligarchie tevreden te stellen die beide zijden even royaal geld leende. Het is deze schuldenlast die het verdrag voorstelt "in de eeuwige vergetelheid te begraven".

Dus, nog voordat geschillen en territoriale aanspraken worden beslecht, wil het verdrag de voorwaarden scheppen voor het beëindigen van de financiële ondergang waarin het Europa van toen zich had gestort.


Onbetaalbare, onhoudbare en onrechtmatige schulden, interesten, obligaties, lijfrenten en financiële vorderingen, waarvan uitdrukkelijk werd vastgesteld dat zij een eeuwigdurende oorlogsdynamiek voedden, werden onderzocht, gesorteerd en gereorganiseerd, meestal door middel van kwijtschelding van schulden (artikelen 13 en 35, 37, 38 en 39), uitstel van betaling of herschikking volgens specifieke tijdschema's (artikel 69).


Artikel 40 concludeerde dat deze kwijtscheldingen van toepassing zouden zijn "onder voorbehoud evenwel van de geldsommen, die tijdens de oorlog vrijwillig en met goede bedoelingen aan anderen ter beschikking zijn gesteld, om de grotere gevaren en schade, waarmee zij werden bedreigd, af te wenden.” Het voorbehoud dat wordt gemaakt, impliceert letterlijk dat deze schulden moeten worden nagekomen.

Ten slotte, met het oog op de toekomst en om ervoor te zorgen dat "de handel weer opbloeit", schafte het verdrag vele "ongewone" en "particuliere" tollen en subsidies af, belemmeringen voor de uitwisseling van materiële goederen en knowhow en dus voor wederzijdse ontwikkeling. (Art. 69).


Afsluitend


Waar staan wij nu? Vandaag? - We weten dat ‘de staat’ als een juridisch schuldverhicle werd opgezet ter beheer van een staatsschuld. - We weten dat die staatsschuld wordt gefinancierd en geherfinancierd door banken en alleen gedekt is door een taxatiemandaat en andere inkomsten. - We weten dat ook het in omloop brengen van munten niet langer het voorrecht van de monarch (autoriteit) is, maar het prerogatief is geworden van een cartel van private banken (macht). - We weten dat jaarlijkse begrotingscontroles de inkomstenzijde en uitgavenzijde van belastinggelden documenteren.

Wat we niet weten, zijn meteen ook de twee meest essentiële vragen die men zich als burger en belastingbetaler hoort te stellen, nl, - Welke zijn de absolute kerntaken van de overheid? - Welk maatschappelijk rendement levert ons belastinggeld op? Hoe doeltreffend wordt het besteed? Welke ‘bang for the buck’ kunnen onze bestierders voorleggen en welke evaluatie- en correctiemechanismen kunnen worden ingebouwd?

Deze twee kernvragen blijven volstrekt onbesproken alsof daarover een brede impliciete maatschappelijke consensus zou bestaan. Die consensus bestaat wel degelijk, louter omdat de vragen zelden tot nooit worden gesteld. Wat als wij die vragen nu eens blijven stellen, opnieuw en opnieuw, tot wanneer ze worden beantwoord? Wat als iedere euro aan belastinggeld zou worden onderworpen aan die twee basiscriteria?

“Is dit een taak voor de overheid? En, zo ja, hoe doeltreffend wordt die euro dan besteed?”

Joachim Van Wing kan je ook volgen en lezen op zijn substack.

373 weergaven0 opmerkingen

Comments


bottom of page