top of page

De Psychologie van Totalitarisme – Een boek om te verbranden?

Bijgewerkt op: 16 feb. 2023

Op 25 januari 2023 verbood de Universiteit Gent het gebruik van mijn boek De Psychologie van Totalitarisme in de lessen Cultuur- en Maatschappijkritiek.


Dat gebeurde in de nasleep van een mediastorm die in September 2022 losbarstte naar aanleiding van mijn interviews bij Tucker Carlson en Alex Jones. Ik heb daar in een vorig Substack-essay al over geschreven.

Naar aanleiding van deze media-optredens startte de Universiteit Gent een onderzoek naar mijn wetenschappelijke integriteit en de kwaliteit van het lesmateriaal dat ik gebruik, wat uiteindelijk leidde tot het verbieden van mijn boek. Waarom men deze procedure eigenlijk opstartte? Bezorgdheid omwille van de kwaliteit van het onderwijs, hoor ik zeggen. En natuurlijk ben ik het ermee eens dat wetenschappelijke integriteit van cruciaal belang is.


De Faculteit had het al langer moeilijk met mij. Eigenlijk al vijftien jaar. Omdat ik bijvoorbeeld het gangbare wetenschappelijk onderzoek in de psychologie zeer problematisch vind en dat ook luidop zeg. Maar toch vooral omwille van mijn kritische stem tijdens de coronacrisis. Ik moest daarvoor in 2021 al verschillende keren op gesprek bij de onderzoeksdirecteur en decaan. Men benadrukte daarbij altijd dat ik vrije meningsuiting had, maar dat men toch ook wel bezorgd was om mij. Ik apprecieer zonder meer hun pogingen om in gesprek te gaan, maar ik vraag hen bij deze: is bezorgdheid om afwijkende meningen niet een van de kwalijkste symptomen van onze tijd?


Ik bleef toch vooral mijn eigen mening uitspreken. En dat had zijn gevolgen. Zo werd ik in 2021 uit het consortium voor klinische psychologie van de faculteit psychologie gezet. Men vermeldde als reden dat men zich niet meer wenste te associëren met mij omwille van mijn publieke uitspraken over massavorming tijdens de coronacrisis. Dat was al bij al eerlijk en duidelijk gesproken: excommunicatie omwille van een afwijkende mening.

In September vorig jaar werd een volgende stap gezet en besloot de faculteit psychologie dus te onderzoeken of ik wel wetenschappelijk integer ben en of het lesmateriaal dat ik gebruik in het vak Cultuur- en Maatschappijkritiek voldoende kwalitatief is.


Het gevoerde proces, dat uiteindelijk geleid heeft tot het verbieden van mijn boek in januari 2023, is nogal complex. Het leest een beetje als Franz Kafka. Er waren verschillende raden en commissies bij betrokken en het is beslist niet eenvoudig om dat bureaucratisch kluwen op een manier te beschrijven die niet slaapverwekkend wordt. Ik ga daar later toch een poging toe wagen, maar ik ga me eerst op het sluitstuk van de logica van het proces richten.


De zwaarste beschuldiging ten aanzien van mijn boek, is dat het vol fouten en slordigheden staat. Op mijn vraag om welke fouten en slordigheden het dan wel gaat, verwees men naar een aantal kritische publicaties omtrent mijn boek die in de publieke ruimte circuleren. Dit is cruciaal: de uitspraak omtrent mijn boek staat en valt in grote mate met de kwaliteit van die kritische besprekingen.


Een nadere kennisname van deze besprekingen toont dat de stijl vaak nogal aanvallend, beledigend en in sommige gevallen ronduit vulgair is. Waarom selecteerde de Universiteit Gent alleen deze extreem negatieve besprekingen om de waarde van mijn boek te bepalen? Waarom geen enkele van de tientallen positieve of meer neutrale besprekingen?


Extreem negatieve en emotionele reacties zijn overigens zelden accuraat. Dat is ook de reden waarom ik er doorgaans niet op reageer. Soms reageert men best met de stilte. In deze situatie ga ik dus wel reageren. Wat op het spel staat is immers niet gering. Het gaat over de vraag op welke gronden een universiteit beslist om een boek te verbieden.

De kritische besprekingen van mijn boek die door de Universiteit Gent in beschouwing werden genomen, waren van de hand van verschillende auteurs. Alle teksten bespreken zou een titanenwerk zijn en daarom begin ik met de meest cruciale.


De kritische bespreking van professor Nassir Ghaemi was in verschillende opzichten de belangrijkste. Er werd verschillende keren naar zijn kritieken verwezen in het rapport van één van de betrokken commissies. Ik ga hier op een droog-technische manier deze kritiek proberen bespreken. Het leesplezier zal mogelijk wat minder zijn, maar iedereen die werkelijk wil weten wat de gronden van de beschuldigingen zijn die tot het verbieden van mijn boek geleid hebben, zal het toch de moeite vinden om het te lezen.

De kritiek van professor Nassir Ghaemi is enerzijds te vinden in een artikel met als titel Postmodern Anti-Science Ideology: The Real Source of Totalitarianism en anderzijds op Youtube, in een opname van een speciale sessie op de 43ste jaarlijkse meeting van de Karl Jaspers Society van Noord Amerika. (Zie minuten 31 tot 52 voor de bijdrage van professor Ghaemi en verschillende andere, kortere tussenkomsten die hij deed als reactie op andere bijdragen).


Het was beslist niet gemakkelijk om een format te vinden om op de wirwar van punten van kritiek te reageren. Ik besliste om in eerste instantie alle kritieken te controleren die concreet, objectief van aard zijn en in dat opzicht ondubbelzinnig op hun juistheid kunnen beoordeeld worden. Samen met één van de proeflezers van mijn boek, vond ik in het artikel en de video-opname zeven dergelijke kritieken terug. We bespreken ze hieronder. In een later stadium gaan we wellicht ook de meer inhoudelijke kritieken van professor Ghaemi onder de loep nemen.


1.Professor Ghaemi beweert dat ik John Ioannidis’ artikel ‘Why most published research findings are false’ totaal verkeerd citeer (wellicht opzettelijk) waar ik stel dat 85% van de medische studies tot verkeerde besluiten komt. (Te horen vanaf minuut 33:57 in de video-opname).


De felle, beschuldigende toon van professor Ghaemi valt van in het begin op. Hij haalt ook verschillende autoriteitsargumenten aan alvorens inhoudelijke argumenten te geven. De kritiek gaat meer specifiek over deze paragraaf in Hoofdstuk 1 van mijn boek (p.31):

“Dit alles vertaalde zich in een gebrek aan repliceerbaarheid van wetenschappelijke bevindingen. Eenvoudig gesteld komt dit erop neer dat resultaten van wetenschappelijke experimenten niet stabiel bleken. Als verschillende onderzoekers hetzelfde experiment deden, kwamen ze tot verschillende bevindingen. In economisch onderzoek, bijvoorbeeld, mislukte replicatie in ongeveer 50% van de gevallen14, in kankeronderzoek in ongeveer 60%15 en in biomedisch onderzoek in het algemeen in maar liefst 85% van de gevallen16. Alles tezamen was de kwaliteit van onderzoek zo dramatisch dat de wereldvermaarde statisticus John Ioannides er een artikel over publiceerde met de veelzeggende titel ‘Why most published research findings are false’ 17. Ironisch genoeg kwamen ook de studies die de kwaliteit van onderzoek onderzochten tot uiteenlopende conclusies. Dat op zich toont misschien nog het best van al aan hoe fundamenteel het probleem was.” (De Psychologie van Totalitarisme, Hoofdstuk 1, p. 31).


Professor Ghaemi maakt hier een belangrijke fout. Als je de bovenstaande paragraaf aandachtig leest, zie je dat hij verkeerdelijk meent dat ik naar Ioannidis’ ‘Why most published research findings are false’ verwijs om mijn stelling te staven dat 85% van de medische studies verkeerd zijn. Ik verwijs echter naar een ander artikel, referentie 16, gepubliceerd in 2015 door C. Glenn Begley en John Ioannidis in het wetenschappelijk tijdschrift Circulation Research. Je vindt dit artikel hier.


In dit artikel van Begley en John Ioannidis, ‘Reproducibility in science. Improving the standard for basic and preclinical research’, vind je de volgende paragraaf (vet gedrukte tekst aangebracht door mij):

“Over the recent years, there has been an increasing recognition of the weaknesses that pervade our current system of basic and preclinical research. This has been highlighted empirically in preclinical research by the inability to replicate the majority of findings presented in high-profile journals.1–3 The estimates for irreproducibility based on these empirical observations range from 75% to 90%. These estimates fit remarkably well with estimates of 85% for the proportion of biomedical research that is wasted at-large.4–9 This irreproducibility is not unique to preclinical studies. It is seen across the spectrum of biomedical research. For example, similar concerns have been expressed for observational research where zero of 52 predictions from observational studies were confirmed in randomized clinical trials.10–12 At the heart of this irreproducibility lie some common, fundamental flaws in the currently adopted research practices. Although disappointing, this experience should probably not be surprising, and it is what one would expect also theoretically for many biomedical research fields based on how research efforts are conducted.”


Deze paragraaf bevestigt dus ondubbelzinnig mijn uitspraak dat 85% van de studies gepubliceerd in de biomedische wetenschappen, verkeerd zijn. De 85% slaat m.a.w. op het corpus van biomedisch onderzoek, observationele én randomized controlled trials (RCT’s) inbegrepen. Of de foutenmarge in die twee soorten studies verschilt, daar doe ik geen enkele, maar dan ook geen enkele uitspraak over in mijn boek (zoals Ghaemi telkens weer benadrukt).


Het discours van professor Ghaemi gaat werkelijk alle kanten uit om te proberen deze paragraaf in mijn boek onderuit te halen. Hij trekt er allerhande zaken bij die ik niet zeg. Zo maakt hij er niet alleen op een merkwaardige manier een discussie over omtrent het verschil tussen observationele studies en RCT’s, hij betrekt er ook nog eens de vaccinstudies bij. Ik volsta met te zeggen: in gans het betreffende hoofdstuk van mijn boek komt het woord ‘observationele studie’, ‘randomized controlled trial’ en ‘vaccin’ niet voor. Nergens maak ik het onderscheid tussen verschillende soorten onderzoek, nergens geef ik afzonderlijke foutpercentages voor de verschillende soorten onderzoek, en nergens in dit hoofdstuk zeg ik iets over de vaccinstudies.


Iedereen die gewoon leest wat er in de paragraaf van mijn boek staat, ziet dat ik – net als Begley en Ioannidis in de hierboven weergegeven paragraaf – over biomedisch onderzoek in het algemeen spreek. Professor Ghaemi levert hier dus een prototypisch voorbeeld van een stromanargumentatie. Hij verdraait de inhoud van mijn boek en bekritiseert vervolgens zijn eigen verkeerde voorstelling ervan.


2. Professor Ghaemi plaatst me dan in het kamp van Heidegger (~47:00). Net zoals hem zou ik een anti-wetenschappelijk standpunt innemen. Ik citeer Heidegger dan ook frequent volgens Ghaemi (~48:53).


Ik citeer Heidegger geen enkele keer in mijn boek. Het kan dat professor Ghaemi zich hier gewoon verspreekt en eigenlijk ‘Foucault’ wilde zeggen. Dat is niet duidelijk. Wat wel duidelijk zou moeten zijn, is dat ik in mijn boek nergens tegen wetenschap pleit; ik pleit tegen de mechanistische wetenschapsideologie, die in mijn discours precies het omgekeerde is van wat echte wetenschap is. Het ganse derde deel van mijn boek gaat daarover. Heeft professor Ghaemi dit volledige deel gemist?


3.Professor Ghaemi beweert dat ik de term ‘massavorming’ uitgevonden heb; de term heeft volgens hem nooit bestaan in de geschiedenis van de mensheid (sic) en ik heb hem volledig verzonnen (sic) (~58:43).


Dit zijn de (scherpe) woorden waarin professor Ghaemi deze boude stelling poneert: “And by the way, one more big picture point I forgot to make: the concept ‘mass formation’ has never existed in human history. You will not find it anywhere in Gustave Le Bon’s writings. You will not find it anywhere, as far as I can tell, in any social psychology writings. You will not find it anywhere in any of the psychiatric literature for the last 200 years. The term ‘mass formation’ is completely made up by this person and his friend who goes on a Joe Rogan podcast and talks about it to a couple millions of people. … This concept of ‘mass formation’ has no scientific basis, no conceptual basis that anyone else has ever written about, no theoretical basis that anyone else has written about. People have talked about mass psychosis, mass hysteria, but again, these are just metaphors, there’s no scientific basis to it. … But this concept of ‘mass formation’, I just want to make that point, and he doesn’t point this out at all in the book, has no basis in anybody else’s thinking.” En in zijn review (p. 90) schrijft hij er het volgende over: “The term ‘mass formation’ is an anti-COVID neologism - with unclear meaning in English and no meaning at all scientifically - that has no roots anywhere in the psychiatric literature and none in the social psychology literature either.”


Dit is misschien wel de meest bizarre kritiek van Ghaemi. Laat ons eerst kort stilstaan bij het gebruik van de term zelf. Klopt het dat de term nooit bestaan heeft in de geschiedenis van de mensheid? In het Duits gebruikt men meestal de term ‘Massenbildung’, in het Nederlands de term ‘massavorming’, in het Engels meestal ‘crowd formation’ maar soms ook ‘mass formation’. We doen even een kleine greep uit het ongetwijfeld veel ruimere aantal voorbeelden van het voorkomen van de term ‘massavorming’, of de term nu in het Engels vertaald wordt als ‘crowd formation’ of ‘mass formation’:

· Het woord ‘massavorming’ staat op de achterflap van de Nederlandse vertaling van Elias Canetti’s boek Masse und macht (Massa en Macht, 1960) en de term wordt in het boek twee keer gebruikt. In de Engelse editie wordt het woord vertaald als ‘crowd formation’. · In Freuds tekst Massenpsychologie und ich-analyse (1921) wordt de term ‘Massenbildung’ 19 keer gebruikt. Hij wordt in de Nederlandse editie vertaald als ‘massavorming’ en in de Engelse editie als ‘crowd formation’. · Salvador Giner gebruikt de term ‘mass formation’ in zijn boek Mass Society(1976). · De term ‘massavorming’ wordt veelvuldig gebruikt in de Nederlandse editie van Kurt Baschwitz’ boek over de geschiedenis van massapsychologie Denkend mensch en menigte (1940). · De Nederlandse editie van Paul Reiwald’s boek Vom Geist der Massen (De geest der massa (1951)) vermeldt de term ‘massavormig’ ongeveer 46 (!) keer. · Enzoverder, enzovoort.

Zelfs als we in een vlaag van uiterste welwillendheid ten aanzien van professor Ghaemi zouden veronderstellen dat hij specifiek de term ‘mass formation’ bedoelt en niet de term ‘crowd formation’, zou zijn uitspraak dat de term niet voorkomt dus nog steeds verkeerd zijn. En wat al zeker verkeerd is, is de merkwaardige claim dat er geen enkele conceptuele basis zou zijn voor het fenomeen massavorming. Het behoeft nauwelijks een betoog dat professor Ghaemi zich ook in deze kritiek vergaloppeert. Is er werkelijk iemand die twijfelt dat er conceptueel onderzoek is gebeurd naar het fenomeen massavorming? De kritiek is zo overduidelijk absurd dat het welhaast even absurd is om erop te reageren. Puur als teken van welwillendheid, doen we het toch, met dank aan Yuri Landman, die zowel op de sociale media als via privécommunicatie hielp om een overzichtje van de literatuur te geven:

De wetenschappelijke bestudering van het fenomeen massavorming startte ergens in de negentiende eeuw, met het werk van Gabriel Tarde (Les lois de l'imitation, 1890. In het Engels verschenen als Laws of Imitation) en Scipio Sighele (De menigte als misdadiger, 1892). Gustave Le Bon borduurde verder op dit werk en publiceerde in 1895 zijn beroemde werk over de massa, getiteld La psychologie des foules. Sigmund Freud publiceerde in 1921 zijn verhandeling Massenpsychologie und ich-analyse, waarin hij veelvuldig de term 'Massenbildung' gebruikt, letterlijk vertaald als ‘massavorming’ in het Nederlands. De massavormingstheorie wordt beaamd en aangevuld door Trotter (Instincts of the Herd in Peace and War, 1916), McDoughall’s Group Mind(1920), Baschwitz (Denkend mensch en menigte, 1940), Canettis Massa en Macht (1960) en Reiwald (De geest der massa, 1951). In het interbellum baseerden grondleggers van de moderne propaganda en public relations management zoals Edward Bernays en Walter Lippman zich op de literatuur over massavorming om op een efficiënte manier de bevolking psychologisch te sturen en manipuleren. De filosoof Ortega y Gasset (De opstand der horden, 1930), de pscyhoanalyticus Erich Fromm (De angst voor vrijheid, 1941), de psychoanalyticus Wilhelm Reich (The Mass Psychology of Fascism, 1946), de filosofe Hannah Arendt (The origins of totalitarianism, 1951) leverden eveneens belangrijke bijdrages aan het denken omtrent het fenomeen massavorming. Daarnaast kan de hele op deze seminale schrijvers gebaseerde secundaire literatuur, quasi eindeloos, aangehaald worden als het erop aankomt om te illustreren dat er – in radicale tegenstelling tot wat professor Ghaemi beweert – wel degelijk een conceptuele basis is voor de term ‘massavorming’ die tot op de dag van vandaag verder uitgebouwd wordt.


4. Ghaemi beweert dat ik zeg dat alle wetenschap frauduleus is.


Hij herhaalt dit een aantal keren (p. 88 & 89 in zijn artikel en ook doorheen de video suggereert hij dit links en rechts), om zijn (foutieve) mening dat ik ‘een anti-wetenschappelijke extremist’ ben, kracht bij te zetten. Mijn boek stelt het nochtans duidelijk: slordigheden, fouten en geforceerde besluitvorming komen vaak voor, maar “regelrechte vormen van fraude waren relatief zeldzaam en als dusdanig niet het grootste probleem.” (Hoofdstuk 1, p.30).

Je ziet ook hier dus duidelijk het ‘wilde’ en ongefundeerde karakter van de zware aantijgingen die Ghaemi lanceert.


5. Ghaemi beweert in zijn artikel (p. 89) dat ik stel dat”95% of COVID-19 deaths had one or more underlying medical conditions, and thus did not occur due to COVID-19.”


Ik trek dergelijke conclusies hoegenaamd niet. Wel stel ik, in het kader van de relativiteit van cijfers, de legitieme vraag: Hoe bepaal je wie er sterft aan corona? “Als iemand op gezegende leeftijd met wankele gezondheid ‘het coronavirus krijgt’ en sterft, sterft hij dan aan dat virus? Is de laatste druppel meer de oorzaak van het overlopen van de emmer dan de eerste?” (Hoofdstuk 4, p. 75-76).

Opnieuw: Ghaemi vervormt een boodschap in mijn boek wezenlijk om dan kritiek te geven op die vervormde boodschap.


6. Ghaemi zegt in zijn artikel (p. 89) dat ik beweer dat geldbejag de hoofdreden is voor ziekenhuizen om COVID-19 patiënten te hospitaliseren. Hij stelt het zo: Referring to a 2021 Belgian newspaper article composed by the journalist Jeroen Bossaert who claims that hospitals increased the numbers of COVID-19 deaths and hospitalizations for financial gain, the author of this book seizes the opportunity to express his view that generating profits is the primary purpose of these COVID-19 hospitalizations’.


Dat is niet wat ik zeg (wederom een stromanargumentatie). Wat ik wél zeg, is dat monetaire incentieven één factor zijn die het aantal opnames kunstmatig verhoogt en dus ook die cijfers vertekent. Ik zeg nergens dat het de ‘primary’ of de enige factor is. Hieronder de betreffende paragraaf in mijn boek (Hoofdstuk, p. 75):

En dat was niet de enige factor die het aantal opnames vertekende. Jeroen Bossaert van Het Laatste Nieuws presteerde in de lente van 2021 één van de weinige grondige oefeningen van onderzoeksjournalistiek in de coronacrisis. Hij legde bloot dat ziekenhuizen en andere zorginstellingen vanuit een streven naar financiële optimalisatie het aantal doden en COVID-19-ziekenhuisopnames kunstmatig verhoogd hadden.6 Op zich is dat niet verwonderlijk, dergelijke methoden werden al lang toegepast in ziekenhuizen. Wat ons wél mag verwonderen, is dat men in de coronacrisis weigerde te erkennen dat winstmotieven meespeelden en een invloed hadden op de cijfers. De volledige gezondheidssector werd plots zo goed als heilig verklaard. Voorheen werd nochtans algemeen geklaagd over de economische logica van waaruit de gezondheidszorg en Big Pharma georganiseerd werden (zie bijvoorbeeld het boek Dodelijke Medicijnen van Peter Gøtzsche7).”


7. Professor Ghaemi zegt dat ik de lezer bedrieg waar ik stel dat er wetenschappelijke beschrijvingen bestaan van mensen met een sterk verminderd hersenvolume die toch nog een score van meer dan 130 halen op een IQ-test. Volgens professor Ghaemi scoorde de patiënt waarnaar ik verwijs niet meer dan 75, en heb ik dat getal dus (opzettelijk) opgetrokken.


Dit is wat professor Ghaemi schrijft in zijn artikel (p. 91): “Clear falsehoods abound in this book. One irrefutable falsehood of fact is found in the author's interpretation of a 2007 study that was published in the Lancet. I reviewed the cited paper, "Brain of a white-collar worker" (PT165). The paper describes a .44-year-old man with hydrocephalus since age six. He was a married civil servant, with reported normal social functioning, but his IQ was 75, which is in the borderline mental retardation range. However, in the lead-up to this case presentation, the author states that the man had an IQ above 130, which is in the genius range. The author's presentation of the case is factually false.”


Bij nader toezien blijkt dat hier een aantal zaken zijn fout gelopen. Bij de Engelse vertaling werd blijkbaar per abuis een referentie achterwege gelaten, die er in de oorspronkelijke tekst wél staat (De Pyschologie van Totalitarisme, Hoofdstuk 10, p. 219): “Voor alle duidelijkheid, ik spreek hier niet over obscure beweringen, maar wel over wetenschappelijke observaties waarover gerapporteerd werd in tijdschriften als The Lancet en Science (bijvoorbeeld Feuillet et al., 20076; Lewin, 19807)” versus de Engelse vertaling, die zegt (The Psychology of Totalitarianism, Chapter 10, p. 165): “For the sake of clarity, I am not talking about obscure assertions but about scientific observations reported in journals such as The Lancet and Science.6.”


Met andere woorden: ik verwijs in de oorspronkelijke tekst niet enkel naar het artikel ‘Brain of a white-collar worker’ (van Feuillet) maar ook naar een artikel van Lewin dat over een patiënt van Lorber spreekt – een andere patiënt dan die van Feuillet dus - die 126 scoorde op een IQ-test. Over dit laatste cijfer is er echter geen eenduidigheid in de literatuur. Andere publicaties stellen immers dat deze patiënt (van Lorber) scores van 130 en zelfs 140 haalde op IQ-tests; verschillende bronnen houden er dus andere getallen op na (de ene keer 126, de andere keer >130). Ik meende dat één referentie naar de betreffende patiënt voldoende was, en selecteerde zonder het te beseffen de referentie die van een IQ van 126 gewag maakt. Ik geef de relevante uittreksels uit de andere publicaties hieronder mee. Onder andere in een review van Nahm e.a., getiteld Discrepancy Between Cerebral Structure and Cognitive Functioning, A Review, staat het volgende te lezen: “The aforementioned student of mathematics had a global IQ of 130 and a verbal IQ of 140 at the age of 25 (Lorber, 1983), but had “virtually no brain””(Lewin, 1982, p. 1232).


Ook deze paragraaf uit een bijdrage van Lorber en Sheffield (1978) aan de Scientific Proceedings sectie van Archives of Disease in Childhood toont dat aan: "So far some 70 individuals between 5 and 18 years of age were find to have gross or extreme hydrocephalus with virtually no neopallium who are nevertheless intellectually and physically normal, several of whom may be considered brilliant. The most striking example is of a young man of 21 with congenital hydrocephalus for which he had no treatment, who gained a university degree in economics and computer studies with first class honours, with an apparent absence of neopallium. There are individuals with IQ’s of over 130 who in infancy had virtually no brain and some who even in early adult life have very little neopallium.”


Alhoewel Ghaemi me ten onrechte zware beschuldigingen naar het hoofd werpt en mijn stelling op zich wel degelijk klopt, heeft hij hier dus wel een klein punt: er moet een referentie toegevoegd worden, meer specifiek naar één van de hierboven geciteerde artikels die IQ-scores van 130 en meer vermelden.


We trekken een eerste voorlopig besluit omtrent dit proces. We weten allemaal dat mensen met verschillende subjectieve voorkeuren een betoog anders interpreteren. Dit zal niet anders zijn voor professor Ghaemi. Toch zal niemand kunnen ontkennen dat professor Ghaemi op punten die objectief controleerbaar zijn, bijzonder vaak de mist ingaat. Het besluitvormingsproces van de Universiteit Gent toont echter duidelijk dat de kritiek van professor Ghaemi van doorslaggevend belang is geweest bij het vellen van hun oordeel over mijn boek.

Aangezien de Universiteit Gent me vraagt om de tekst van mijn boek te corrigeren op fouten en slordigheden die onder andere aangeduid werden in de tekst van professor Nassir Ghaemi, vraag ik hen bij deze oprecht of ze na het lezen van bovenstaande tekst eigenlijk nog één duidelijke fout of slordigheid kunnen aanduiden die professor Ghaemi zou gedetecteerd hebben in mijn boek (behalve die ene verbetering wat die referenties betreft). Ik kan er in alle geval verschillende aanduiden in de kritiek van Ghaemi. Later meer over deze zaak.


Je kan Mattias Desmet ook volgen op zijn Nederlandstalige substack.

765 weergaven0 opmerkingen

Commentaires


bottom of page